image1 image2

Uiterlijk

Het lichaam is gespierd en compact. De lengte van schoudergewricht tot aan de staartaanzet is gelijk aan de schouderhoogte, dat het ras zijn typisch vierkant uiterlijk geeft. Het lichaam dient goed geribd te zijn. De lendenen zijn kort en licht gebogen. De voorhand is dicht en zwaar behaard, de benen zijn recht en evenwijdig met een iets schuinstaand middenvoetsbeentje. De achterhand is eveneens dicht en zwaar behaard, het kniegewricht dient goed gebogen te zijn met een laag geplaatst spronggewricht. Schofthoogte tussen de 35,5 cm en 40,5, teefjes iets kleiner en het gewicht is tussen de 8 tot 14 kg, liefst tussen de 9,5 en 11 kg, maar ieder gewicht is acceptabel mits in verhouding tot de lengte. De Tibetaanse terriër wordt gemiddeld 14 jaar oud.

Gangwerk: Vlot, goed uitgrijpend, krachtig stuwend, bij het lopen of draven moeten voor en achterbenen een lijn vormen en mogen niet naar binnen of naar buiten draaien. De Tibetaan moet zich gemakkelijk kunnen bewegen zonder verspeelde energie, de beweging moet niet anders dan economisch, perfect gecoördineerd en krachtig zijn. Het laat een portret zien van een lenige hond die kan leven op de geboortegronden van zijn vaderland wat een voor dit ras uitzonderlijk kenmerk is.

Kop: De kop is bescheiden, met een krachtige snuit van gemiddelde lengte. De schedel is noch plat noch rond. De ogen zijn groot, donker en staan iets uit elkaar. De oren zijn V-vormig, hangend en worden niet te dicht tegen het hoofd gedragen. Ze zijn dichtbehaard en niet te groot. De neus is meestal zwart en soms bruin, dit kan te maken hebben met de vacht.

Staart: De staart is middellang, tamelijk hoog aangezet, flink behaard en wordt in een vrolijke krul over de rug gedragen.

Voeten: Een van de meest ongewone kenmerken van de Tibetaanse terriër is de brede platte en ronde voeten waarmee ze plat op de zool staan, zoals je niet bij een ander ras zal aantreffen. Die zijn ideaal in de sneeuw en gedragen zich als natuurlijke snowboots (sneeuwschoenen). Ze zijn ook tussen de tenen en voetzolen zwaar behaard. De achterpoten zijn iets langer dan normaal en goed bij het beklimmen van bergen.

Vacht: De dubbele vacht is dik, met een warme wollige fijne ondervacht en lang harige bovenvacht (dekvacht) met een structuur als dat van mensenhaar. De (boven)vacht is fijn, hoort niet zijdeachtig (dun), wollig of krullend te zijn, maar golvend is acceptabel. De vacht is lang en dik, maar reikt niet tot de grond zoals bij andere rassen als de Lhasa Apso of de Maltezer. Haar bedekt het gezicht en ogen, maar lange oogwimpers zorgen ervoor dat het haar niet in de ogen komt. De Tibetaanse terriër heeft een zeer goed gezichtsvermogen.

Kleur: Alle kleuren behalve lever- of chocoladekleur zijn toegestaan zonder voorkeur. Tibetaanse terriërs zijn er in iedere combinatie van enkel kleurig, bont, driekleurig, bruin of grijze streken, gevlekt, wit, wit-zwart, goudkleurig, crème, grijs, rookkleurig, zwart of zwart-twee. De neusstreek (neusleer) moet zwart zijn, de ogen donkerbruin en de oogranden zwart. Bedenk echter wel dat hetgeen niet is toegestaan alleen geldt voor de fokkerij. Een chocoladekleurige Tibetaan met een lichte neus, of een witte zonder zwarte oogranden is uiteraard net zo goed een heel lieve en gezonde huishond. Deze honden zijn alleen niet geschikt voor de fokkerij.